De geboorte van Maigret

fotofoto“Hoe het komt dat Jules Amédée Franqois Maigret, een der commissarissen van de Centrale recherche en hoofd van de afdeling Moordzaken aan de qaui des Orfiévres te Parijs, een rasechte Fransman, geboren is in de noordelijkste havenstad van Nederland, Delfzijl aan de Eems, dat wil ik graag proberen te vertellen zonder er zeker van te zijn dat de lezer aan deze herinneringen hetzelfde genoegen zal beleven als ik.
Ik ben nu drieënzestig jaar. Maigret is ongeveer tweeënvijftig. Toen ik hem op mijn vijfentwintigste jaar in het leven riep, was hij vijfenveertig. Hij is dus zo gelukkig geweest veel minder snel oud te worden dan ik en ongetwijfeld zal ik hem zijn huidige leeftijd nog lang laten behouden. Waarom Nederland? Waarom Delfzijl? We moeten nog een jaar verder terug. Op mijn vierentwintigste bekroop me de lust om Frankrijk tot in zijn kleinste uithoeken te leren kennen en was tot de ontdekking gekomen dat de steden of de dorpen zich bij de hoofdweg of het station alleen van hun meest kleurloze of ontoeschietelijke kant laten zien om hun intimiteit en hun heimelijke leven achter te houden voor de rivieren en de kanalen. Ik kocht daarom een vijf meter lange boot, de Ginette, die vermoedelijk dienst had gedaan als reddingsloep van een aanzienlijker jacht. Ik liet daarop een vrij gecompliceerde constructie met zeildoek aanbrengen waardoor ik de schuit ‘avonds kon veranderen in een linnen roef. Een buitenboordmotor van 3 pk. Een volgbootje voor de schrijfmachine, de kleren en de het keukengerei. Aldus toegerust, voer ik in 1927 heel Frankrijk rond, van het noorden naar het zuiden, van het oosten naar het westen, en passeerde duizendtal sluizen van allerlei model, sommige nog daterend uit de zeventiende eeuw, de tijd van Vauban. Onder een tent die ik aan de waterkant opsloeg, schreef ik elke dag twee of drie hoofdstukken van romans voor het grote publiek. Er werd toen nog maar weinig gekampeerd en vaak was ik omringd door boeren of schippers die kwamen kijken naar die gekke vent die, in shorts en met ontbloot bovenlijf, verwoed zat te tikken, op een jaagpad of aan de rand van een bos. Ik moet bekennen dat ik niet weinig trots was op al die officiële papieren die mij voor mijn vertrek waren verstrekt. Aangezien ik van de ene riviermonding naar de andere over zee moest varen, begon een van die documenten met: ‘Wij, President van de Franse Republiek’. Het bestempelde mijn bescheiden vaartuigje als een ‘schip’ en verzocht buitenlandse regeringen mij in geval van nood hulp en bijstand te verlenen. Steeg dit naar mijn hoofd? Reeds in oktober was in in Fécamp waar ik een kotter liet bouwen naar het model van de vissersschepen in het Kanaal. Het was een boot van tien meter lengte, vier meter breed, met een diepgang van twee meter, machtige spanten en een romp van dik eikehout. Zodra het schip in het voorjaar gereed was, voer ik ermee naar Parijs, waar ik meerde aan het square du Vert. Galant en waar ik het in alle onbescheidenheid en met veel staatsie liet dopen door de pastoor van de Notre Dame.
Mijn nieuwe schip heette de Ostrogoth. Een maand of drie later voer het binnen in de haven van Delfzijl, toen nog niet zo belangrijk als nu. Ik lag in de buitenhaven tegenover de loodsboten en ik heb vooral nog een levendige herinnering aan mijn ontdekking van het roze stadje, omgeven door dijken, met zijn poorten die niet bestemd zijn om mogelijke aanvallers af te schrikken, maar om bij slecht eer het zeewater te beletten de straten binnen te stromen. Ik heb nog een andere herinnering aan dit eerste contact met een streek die ik later meermalen zou weerzien. Na onze tocht over de toenmalige Zuiderzee hadden we onderweg in Sneek, mijn vrouw, onze kokkin-scheepsmaatje en ik, dikke zeilpakken gekocht, zoals de Nederlanders die – en ik moet zeggen: voortreffelijk- hebben ontworpen. Die zeilkleren, waartoe uiteraard ook broeken behoorden, hadden we aan, toen we ons met ons drieën voor het eerst in de straten van de stad vertoonden. Kwam het door onze kleren, het feit dat met nog niet gewend was vrouwen in broeken te zien? Kinderen liepen ons achterna, en het werden er steeds meer. Af en toe waagden ze zich tot vlak bij ons, riepen iets wat we niet verstonden, om zich dan ijlings weer uit de voeten te maken. Het klonk zo ongeveer als- Mitlied! Later heb ik me laten uitleggen dat het ‘ medelijden! ‘moet zijn geweest wat ze riepen. Ons verblijf in Delfzijl zou langer duren dan voorzien was, en ik zegen thans het lek dat ik na enkele dagen ontdekte. Een behulpzame scheepsbouwer, meneer Roels, kwam de kwetsuur onderzoeken met de ernst en het gezag van een dokter en beslistte dat de Ostrogoth volledig moest worden opgekalefaterd, zodat ik het schip naar de werf aan het oude kanaal moest brengen. Ik had toen nog de gewoonte om, evenals tijdens mijn zwerftocht door Frankrijk, per dag twee of drie hoofdstukken te schrijven. Al gauw besefte ik dat dit onmogelijk was in een schip dat van de morgen tot de avond als een klok weergalmde onder de hamerslagen van de breeuwers. Ik achtte het mijn eer te na een kamer in het hotel te huren. Bij toeval ontdekte ik aan de oever van het kanaal een oude halfvergane schuit die aan niemand scheen toe te behoren. Je waadde er in dertig, veertig centimeter van dat roodachtige water dat kenmerkend is voor dat oude kanaal, altijd overdekt met boomstammen, door de vrachtschepen aangevoerd uit Riga, en die traag verder dreven naar Groningen. Deze schuit waarop ik een grote kist neerzette voor mijn schrijfmachine, een wat minder grote kist voor mijn zitvlak en twee nog kleinere kisten voor mijn voeten, zou metterdaad Maigret’s wieg worden. Maar niet terstond! Terwijl meneer Roels en zijn werklieden mijn boot opknapten, haar vervolgens zo wit schilderden als ze zwart was geweest, als ware perfectionisten het dolboord, de mast en de ra’s lakten en tenslotte een fraai koperen kompas aanbrachten dat ik had gekocht bij een shipchandler vlakbij de sluis, maakte ik geleidelijk kennis met een streek die me volkomen onder haar bekoring kreeg. Die streek heb ik toen trachten weer te geven in een van mijn laatste /romans populaires : ‘ /Le Cháteau des Sables Rouges’ (/Het kasteel van Roodezand)./ Wat voor een boek zou ik hierna gaan schrijven? Reeds enige tijd had ik zo’n gevoel dat ik aan het einde van mijn leertijd was, die had bestaan uit een eindeloze reeks verhalen en romans, gepubliceerd onder vijftien, zestien of meer pseudoniemen. Ik aarzelde nog om te beginnen aan een moeilijker, zo niet gedegener genre. Ik zie me nog op een zonnige morgen zitten in een café dat, meen ik, ‘Het Paviljoen’ heette en waar de waar elke dag zijn houten tafels urenlang wreef met lijnolie. Nooit heb ik van mijn leven meer zulke glanzende tafels gezien. Om die tijd zat er niemand aan de typische Nederlandse stamtafel, waar de keurig opgevouwen kranten op koperen stangen wachtten op hun vaste lezers. Dronk ik die morgen een, twee of zelfs drie glaasjes jenever, eventjes gekleurd door enkele druppels bitter? In elk geval begon ik na verloop van een uur, ietwat dommelig, in mijn verbeelding de breedgebouwde en onaandoenlijke figuur te ontwaren van een heer, die, naar het me voorkwam, een aanvaardbare commissaris kon worden. In het verdere verloop van die dag voegde ik aan deze figuur nog enkele rquisieten toe: een pijp, een bolhoed, een dikke overjas met een fluwelen kraag. En aangezien er in mijn verlaten schuit een klamme koude heerste, dacht ik hem voor zijn kantoor een gietijzeren kachel toe. De volgende morgen om twaalf uur stond het eerste hoofdstuk van ‘pietr-le- Letton'(/Maigret en de onbekende wreker) /op papier. Vier of vijf dagen later was de roman af. Dat hij in de volgorde van verschijnen niet de eerste van de reeks was maar de derde is geworden, was louter toeval. Er deden zich trouwens nog meer toevalligheden voor in deze geschiedenis. Niet alleen was Maigret nu in Delfzijl geboren tengevolge van een lek, maar ook zou ik vanwegen hem mijn echte naam weer aannemen, die ik nooit had gebruikt voor mijn /romans populaires. /We zochten, de uitgever Facyard en ik, een definitief pseudoniem. We hadden er al ruim veertig gevonden en verworpen, toen Fayard mij vroeg:
-O ja, wat is eigenlijk uw echte naam?
Ik antwoordde, haast beschaamd:
-George Simenon.
Want ik vond die naam zo alledaags en zo moeilijk uit te spreken vanwege de stomme e.
Dat neemt niet weg dat ik toch veel verwachtte van Jules Maigret. “

Epalinges, 24 maart 1966 /George Simenon./

Eerste twee foto’s: Simenon op weg naar Delfzijl.

Derde foto: Simenon met vissers in Delfzijl

Bron:

Georges Simenon-Maigret en de zaak Nahour/George Sim-Het kasteel van Roodezand

De geboorte van MaigretBruna, Utrecht, 1e druk, 1966, 176 + 173 pag.,42 zwart-wit foto´s, 6 tekeningen en tekstOmslag: Dick BrunaZwarte Beertjes 1000

Tekst m.m.v. A. Koning.

N.B.

Op mijn blog heb ik een serie over de relatie tussen Maigret/Simenon en Delfzijl.
Zie ook de bijdrage over Maigret in Delfzijl.

Advertisements

About klaasamulder

kunst & cultuur
This entry was posted in klaasamulderVK-2008-04 and tagged , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

2 Responses to De geboorte van Maigret

  1. flyingotter says:

    Klaas>>hele mooie en interessante bijdrage aan het fenomeen “Maigret”. Speciale dank aan A.Koning!
    Wie o wie gaat ooit de documentaire “Maigret in Delfzijl” maken?

  2. klaas @ says:

    @flyingotter: dank.
    Een mooi idee om een ducumentaire over Maigret in Delfzijl te laten maken.
    Misschien iets voor de Culturele Raad Delfzijl, eventueel in samenwerking met de Filmliga Eemsmond Delfzijl.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s